Trancedans - Zena's regendans in 'Dochter van de Godin'
  Trancedans - de droom van onze planeet dansen
  de Droom van onze Planeet dansen!

Boeken - Joan Lambert


< vorige pagina

Joan Lambert: Dochter van de Godin

Hardcover | 420 Pagina's | Bruna
ISBN: 9022983013

Dit boek is enkel nog tweedehands te koop.

‘Dochter van de Godin’ is een miljoenen jaren omspannend fantasy-epos, waarin Joan Lambert de prehistorische ontwikkeling van de mens en het ontstaan van de mystieke band met de Oermoeder beschrijft. Het verhaal begint in de Afrikaanse riftvalei, één tot anderhalf miljoen jaar geleden. Jaar na jaar teistert een aanhoudende droogte de uitgestrekte savannevlakten. Het gebrek aan drinkwater wordt zo groot, dat Zena’s hele stam dreigt uit te sterven. De jonge, krachtige mannetjes staan op het punt van de groep te verlaten om in elk geval zelf te overleven… Dan begint Zena, geïnspireerd door een droom, keien te verzamelen en in een kring te leggen. En het is in deze cirkel van stenen dat een magische kracht zich openbaart: in een bezwerende dans smeekt Zena om regen:

ZENA'S REGENDANS


“Dodelijk vermoeid lieten de leden van de groep zich op de grond vallen, te uitgeput, te zeer vervuld van wanhoop om het hoofd nog te kunnen opheffen. Toen keken de anderen, als op een afgesproken teken, naar Zena, en iets van de bezorgdheid verdween van hun gezicht. Somber zat ze naar de grond te staren. Eerst merkte ze het niet; toen begon haar huid te tintelen door de kracht van hun blik, die door haar afwezigheid heendrong.

Ze keek omhoog en zag hun gezichten vol verwachting, hun honger, hun dorst, de vrees die diep in hun hart verborgen lag. Plotseling voelde ze een golf van kwaadheid. Ze keek naar de hemel, naar de zwartomrande wolken die weigerden hun lading regen los te laten, en woedend schudde ze er met haar vuisten naar. Er moest nu regen komen. De wolken hadden zich al wekenlang samengepakt. Ze hingen daar, boordevol vocht dat ze omlaag moesten zenden, naar de aarde, waar het nodig was. Ze zouden sterven, zij zouden allemaal sterven, tenzij de regen kwam. Dit waren haar metgezellen, degenen die ze liefhad, en het was niet rechtvaardig dat ze moesten sterven. Telkens en telkens weer bonkte Zena met haar vuisten op de opgedroogde aarde en schudde ze daarna heftig tegen de hemel. Ze riep het woord voor regen, slingerde het naar de koppige wolken tot haar stem schor was. Er gebeurde niets.

Haar woede verdween even snel als hij was opgekomen. In plaats daarvan overviel haar een verschrikkelijk gevoel van hulpeloosheid. Het was het gevoel van lang geleden, toen haar moeder was meegesleurd door het water en de grote tijger boven haar hoofd heen en weer had gelopen. Zonder haar moeder, die haar leiding kon geven, had ze niet geweten wat ze moest doen. Nu wist ze het ook niet. Met neergeslagen ogen om de anderen niets van hun vrees en onzekerheid te laten merken, gaf ze de baby aan Tipp, waarna ze alleen in een kleine vallei ging zitten, dicht bij een open plek. Het was er vredig. In betere tijden had ze er vaak gezeten om te genieten van de geluiden en de geuren. Nu klonk er geen vogelzang meer en uit het verdorde gras stegen geen aromatische geuren op.

Vragen joegen door haar hoofd. Zou ze bij de rivier vandaan moeten gaan, de anderen met zich meenemen in de hoop dat ze een plek zouden vinden waar nog voedsel en water waren? Zou ze hun opdragen er ieder apart naar te gaan zoeken? De gedachte aan een scheiding was teveel voor haar. Ze geloofde niet dat ze de woorden kon uiten en de gebaren kon maken die hen uit elkaar zouden drijven. Afwijzend schudde Zena het hoofd. Het gebaar nam iets van haar machteloosheid weg. Langzaam begon ze moed te vatten. De leden van de groep hoorden bij haar en zij moest ervoor zorgen dat het zo bleef. Lang geleden had haar moeder haar door de verschrikkingen van een droogteperiode heen geleid en ze had het overleefd. Nu was het haar taak een manier te vinden om degenen van wie ze hield in leven te houden.

Zena bleef erover zitten nadenken. Langzamerhand verdwenen haar rusteloosheid en een kalmte die ze nooit eerder had ervaren, kwam ervoor in de plaats. Er doemden beelden in haar hoofd op, beelden van haar moeder, van de grootmoeder die ze zich nauwelijks herinnerde, van Rune. Steeds weer zag ze hun gezichten aan zich voorbijkomen. Zena kreeg het gevoel dat ze hier bij haar waren om haar bij te staan door hun aanwezigheid. Vreemd genoeg zag ze hen niet afzonderlijk. Ze waren allemaal één, alsof ze op de een of andere manier waren samengesmolten tot één moeder, een moeder die groter, sterker en wijzer was dan ieder van hen apart. Zelfs dat was niet voldoende om de moeder de ze nu waren geworden, te beschrijven. Deze scheen alle vrouwen in zich te verenigen die ooit hun uiterste best hadden gedaan om degenen te helpen die van haar afhankelijk waren, zoals Zena nu deed. Ze begrepen haar; ze zouden haar kunnen leiden, zoals haar moeder en Rune haar ooit waren voorgegaan.

Lange tijd bleef Zena onbeweeglijk zitten. Ze voelde de aanwezigheid van deze moeders, die één waren geworden. Ze sliep niet, maar droomde wel. Ze sloot haar ogen om de dromen beter te kunnen zien. Er kwamen stenen voor in haar dromen, een kring van stenen. Verbaasd fronste ze haar voorhoofd; daarna vergat ze zich af te vragen wat het betekende en ze liet de droom in haar gedachten verder gaan. Ze zag zichzelf een steen oprapen en die vervolgens zorgvuldig op de grond leggen. De steen was rond en verweerd, alsof de stormen van duizenden jaren de scherpte ervan hadden weggenomen. Ze legde er een volgende steen naast, en nog een, en nog een, tot er een kring was gevormd, een grote cirkel, die behalve haarzelf vele anderen kon omsluiten. Nu stond ze in de kring…

De droom vervaagde. Zena keek om zich heen. Dichtbij, aan de rand van het bos, lagen er stenen, zoals die uit haar droom. Ze waren groot en rond, maar niet te zwaar om op te rapen. Ze pakte er een en legde hem op de grond, midden in de vallei. De steen voelde koud aan en haar vingers bleven over het gladde oppervlak dwalen. Alsof ze nog steeds droomde, raapte ze een volgende steen op, en nog een, en uiteindelijk begon ze aan een wijde kring.

Dak kwam haar zoeken, bezorgd om haar lange afwezigheid. Ongelovig keek hij naar wat ze deed, maar door de blik op Zena’s gezicht bleef hij zwijgen. Ze was er, maar toch ook weer niet, alsof iemand anders door haar ogen keek. Verwonderd keek hij toe hoe ze een steen opraapte en die daarna voorzichtig neerlegde om een volgende te kunnen halen. Haar gedrag leek nu minder vreemd en hij begon haar te helpen. De anderen waren hem gevolgd. Evenals Dak keken ze eerst vol verbazing naar Zena, maar al snel kreeg de atmosfeer in de vallei vat op hen, zoals dat ook bij Dak was gebeurd. Ze begonnen de grote stenen op te rapen, maar alleen degene die glad en rond waren, alsof ook zij deel uitmaakten van de droom. Al gauw was de cirkel compleet.

De trance-achtige uitdrukking op het gezicht Zena’s gezicht werd sterker. Langzaam, alsof ze erheen werden geleid, begaf ze zich naar het midden van de kring van stenen en hief haar armen omhoog. Ze sprak het woord uit voor ‘moeder’, het woord dat alle kinderen gebruikten om degene te benoemen die voor hen zorgde en hen beschermden, het woord dat ze uitspraken wanneer ze bang waren, pijn hadden of om hulp vroegen. Ze gebruikten hetzelfde woord om gevoelens van rust en vrede aan te duiden, de zekerheid dat er voedsel, onderdak en warmte waren, afkomstig van hun moeders. Het was een machtig woord dat zowel vreugde als vrees uitdrukte. Zena sprak het hardop uit, telkens en telkens weer. Bij elke herhaling verhief haar stem zich, om vervolgens zachter te worden tot niet meer dan een fluistering. Ze hief haar gezicht op naar de hemel en dan weer naar de grond, terwijl ze met haar voeten stampte in een bepaald ritme. Nu riep ze een ander woord, het woord voor ‘regen’. Steeds weer schreeuwde ze het uit, stampend met haar voeten op de droge aarde.

Gebiologeerd door haar bewegingen begonnen de anderen eveneens het woord te roepen en met hun voeten te stampen. Een voor een voegden ze zich bij haar in de kring, hieven hun gezicht op naar de wolken en richtten het daarna op de aarde, terwijl ze riepen en schreeuwden en stampten. Donderslagen rolden over hen heen. Ze stampten harder, riepen luider, om het oorverdovende gerommel te overstemmen. Toen flitste de bliksem en verspreidde zich een geur van ozon. De doordringende lucht wond hen steeds meer op. Dak sprong uit de cirkel om een stok te pakken. Hij zwaaide er wild mee in de lucht en schraapte er vervolgens met veel lawaai mee over de grond. Klep deed hem na en de tweelingen volgden zijn voorbeeld. Wild op en neer springend schreeuwen ze het woord voor ‘regen’, ze beukten met hun stokken op de aarde en wezen er daarna mee naar de lucht.

De vrouwen bleven binnen de kring, waar ze hoorden. Nu stampten ze in een bepaald patroon, eerst langzaam, daarna sneller, in één ritmische beweging. Beide woorden kwamen over hun lippen: eerst het woord voor ‘regen’, dan het woord voor ‘moeder’, op de maat van hun bewegingen. De voeten van de mannen buiten de kring stampten in hetzelfde ritme en hun stemmen herhaalden de woorden. De vallei, de bossen en de aarde zelf weergalmden van het onophoudelijke gestamp en de machtige woorden. E roken het, ze voelden het in hun lichamen. Door hun wilskracht moesten ze de buien ertoe brengen om zich op de aarde te laten vallen, om hen te doordrenken met die welkome stortvloed. Telkens en telkens weer hieven ze het hoofd op naar de hemel, naar de zware met vocht gevulde wolken, en daarna keken ze weer naar de droge aarde, alsof ze de regen de weg wilden wijzen. Het tempo versnelde. Het gestamp werd koortsachtig en hun stemmen waren schor van inspanning om de woorden sneller en sneller uit te schreeuwen, nog eens en nog eens. Ze wisten dat de regen nu moest komen; de weerstand was bijna gebroken.

Toen de eerste druppels vielen, bleven ze doodstil staan, het hoofd in dankbaarheid gebogen. Tranen vloeiden over hun wangen, tranen die ze evenmin konden tegenhouden als de regen nu tegengehouden kon worden. Er vielen meer druppels, eerst nog zachtjes, op hun bestofte nekken; daarna meer, en meer, tot opeens de hemelsluizen opengingen. Hun hoofden schoten omhoog om het levensbrengende vocht te verwelkomen. De regen stroomde over hun dorstige huid en liep hun uitgedroogde kelen in; ze voelden hun gebarsten lippen soepel worden, hun vuile lichamen werden schoongespoeld en ze hieven hun armen op in een gebaar van pure extase. Blijdschap vervulde hen, een blijdschap die werd veroorzaakt door de komst van de regen, maar die ook van binnenuit kwam. Het was alsof er een andere aanwezigheid in hun midden was, een aanwezigheid die groter was dan alles wat ze tot dusver hadden gekend. Hun harten werden vervuld van deze grootsheid, zoals de regen de rivier vulde.

Zena zakte plotseling op de grond ineen en toen kwamen ze pas weer bij hun positieven. Geschrokken rende Dak naar haar toe. Lange tijd bleef ze bewegingloos liggen. Toen schudde ze haar hoofd flink heen en weer, alsof ze het wilde bevrijden, en ging rechtop zitten. Ze staarde naar Dak en de anderen. Glimlachend stak ze haar handen uit naar de regen. De anderen keken opgelucht toe. Ze keek weer met haar eigen ogen en gedroeg zich weer net als anders. Er werd niet gesproken, maar ze bleven geruime tijd bij haar zitten, genietend van het water dat op hun uitgedroogde lichamen plensde, en de heerlijke geuren opsnuivend die de regen met zich meebracht. Pas toen het donker werd, stonden ze langzaam op om naar de slaapplaats te gaan.

De volgende ochtend stroomde er water langs de oevers van de rivier. Insekten en garnalen, zelfs kleine visjes kwamen tevoorschijn uit de modder waar ze hadden liggen sluimeren tot de regen kwam. Zena at en dronk en liep daarna langzaam naar de vallei, waar ze ging zitten in de kring van stenen. De vrede die ze de vorige dag had gevoeld, was er nog steeds. Tevens voelde ze een diepe dankbaarheid voor de regen, en voor de moeders die één waren en die haar hadden geholpen. Ze wilde ze bedanken, niet alleen vandaag, maar elke dag van haar leven.

De vallei glinsterde toen het zonlicht werd gevangen in de waterdruppels, die nog steeds aan elke grasspriet en elk takje hingen en op elke steen lagen. Zena keek toe terwijl ze langzaam verdampten en verdwenen. Morgen zouden er opnieuw druppels zijn, dat wist ze zeker. Ok wist ze zeker dat het later die dag zou gaan regenen, en elke volgende dag, tot de regentijd voorbij was. De regens zouden elk jaar terugkeren. Die wetenschap maakte evenzeer deel van haar uit als haar armen, benen of buik. Ze wist dat de regens zouden blijven komen, want ze zou elk jaar terugkeren naar de cirkel van stenen, om opnieuw de woorden uit te spreken en om zich te bewegen op de bijzondere manier die ze in haar droom had gezien. Nooit zou ze deze magie vergeten, de magie die voortkwam uit de moeders die één waren.

Zena hield haar belofte. Telkens wanneer ze bij de rivier terugkwam, ging ze eerst naar de stenen cirkel om de moeders die één waren te bedanken voor hun hulp van het afgelopen jaar. En wanneer de regentijd naderde en wolken zich begonnen samen te pakken tegen de verduisterende hemel, verzamelde ze de anderen om zich heen om het ritueel te herhalen dat regen bracht. Elk jaar, voor de rest van haar leven kwamen ze. Wanneer ze haar armen uitspreidde naar de hemel en de geheiligde woorden uitsprak, openden de wolken zich om hun kostbare last los te laten. Of de ceremonie dat veroorzaakte wist niemand, maar Zena nam geen risico. “

Bron:
Joan Lambert: Dochter van de Godin.
pag 94 – pag 99

Bruna, Utrecht, 1996
www.bruna.nl

< vorige pagina